Neutraliteit van de staat

Neutraliteit van de staat

Printvriendelijke versie

Dat de Belgische staat neutraal is, daar twijfelt niemand aan. Nochtans komt de uitdrukking 'neutraliteit van de staat' niet als dusdanig in de Belgische grondwet voor. Toch kan die neutraliteit uit meerdere grondwetartikels worden afgeleid:

  • artikel 19 waarborgt de vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan en de vrije meningsuiting;
  • artikel 20 benadrukt dat de staat geen regels kan opleggen in verband met de handelingen en de plechtigheden van een eredienst;
  • artikel 21 verbiedt elke inmenging van de staat bij de benoeming van de bedienaren van een eredienst.

De neutraliteit van de openbare dienstverlening wordt onrechtstreeks aangehaald in de redenen om de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst te beperken zoals bedoeld in artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en van de eis om alle burgers gelijke toegang tot de openbare dienstverlening te waarborgen.

De Raad van State erkent overigens dat 'de neutraliteit van de overheid inderdaad een constitutioneel beginsel is dat weliswaar niet als zodanig in de grondwet zelf is opgenomen, doch dat ten nauwste samenhangt met het discriminatieverbod in het algemeen en het beginsel van benuttingsgelijkheid van de openbare dienst in het bijzonder. In een democratische rechtsstaat dient de overheid neutraal te zijn omdat zij de overheid is van en voor alle burgers en omdat zij deze in beginsel gelijk dient te behandelen zonder te discrimineren op grond van hun religie, hun levensbeschouwing of hun voorkeur voor een gemeenschap of partij. Om die reden mag dan ook van de overheidsbeambten worden verwacht dat ook zij zich in de uitoefening van hun functie t.a.v. de burgers strikt houden aan deze neutraliteit en aan het beginsel van de benuttingsgelijkheid.' Ze vormt met andere woorden een gegronde reden om de godsdienstvrijheid te beperken.

Dit neutraliteitsbeginsel is ook opgenomen in een aantal koninklijke besluiten en ministeriële besluiten van de gemeenschappen en de gewesten die allemaal naar dit beginsel verwijzen.

Enkele voorbeelden:

  • Koninklijk besluit van 14 juni 2007, artikel 8: 'De rijksambtenaar eerbiedigt op een strikte manier de beginselen van neutraliteit, van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, de reglementen en de richtlijnen. Wanneer hij bij zijn ambtsuitoefening in contact komt met het publiek, vermijdt de rijksambtenaar elk woord, elke houding, elk voorkomen, die van dien aard zouden kunnen zijn dat ze het vertrouwen van het publiek in zijn volledige neutraliteit, in zijn bekwaamheid of in zijn waardigheid in het gedrang zouden kunnen brengen.' (herformulering van de 'rechten en plichten van ambtenaren'  bedoeld in het Koninklijk Besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel)
  • Ministeriële omzendbrief nr. 573 van 17 augustus 2007 met betrekking tot het deontologische kader voor de ambtenaren van het federaal administratief openbaar ambt zegt hierover het volgende: 'Zij zorgen ervoor, met inachtneming van hun grondwettelijke rechten, dat hun deelname aan of betrokkenheid bij politieke of levensbeschouwelijke activiteiten, het vertrouwen van de gebruiker in de onpartijdige, neutrale en loyale uitoefening van hun ambt, niet schaadt.'
  • Artikel 3 bis § 4 van het besluit van 6 mei 1999 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest luidt als volgt: 'De ambtenaar behandelt de gebruikers van zijn diensten met welwillendheid. In de manier waarop hij de vragen van de gebruikers beantwoordt of waarop hij de dossiers behandelt, eerbiedigt hij op een strikte manier de beginselen van neutraliteit, van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, de reglementen en de richtlijnen. Zelfs buiten de uitoefening van zijn ambt vermijdt de ambtenaar elk gedrag dat in strijd is met de waardigheid van zijn ambt. Hij vermijdt evenzeer elke toestand waarbij hij, zelfs door een tussenpersoon, in verband zou kunnen gebracht worden met bezigheden die in strijd zijn met de waardigheid van zijn ambt.'

De wet stelt duidelijk dat ambtenaren zich in België onpartijdig, niet-discriminerend en loyaal moeten gedragen.

Alles wordt echter een pak onduidelijker wanneer we ons buigen over verschijningsvormen van neutraliteit. Hoewel iedereen het erover eens is dat er geen sprake van neutraliteit kan zijn zonder er neutraal uit te zijn, is er vandaag geen enkele wettekst die bepaalt wat we precies onder 'neutraal uiterlijk' moeten verstaan. We moeten ons buigen over de tegenstelling tussen een neutraal uiterlijk en de fundamentele vrijheden van elke overheidsambtenaar.

Neutraliteit van overheidsdiensten in de praktijk

In België bestaat er geen definitie van het neutraliteitsconcept van de ambtenaren van de openbare diensten. Er zijn dan ook verschillende interpretaties mogelijk:

  • exclusief, waarbij alle symbolen van religieuze of andere overtuigingen moeten verboden worden;
  • of inclusief, waarbij de neutraliteit zichtbaar wordt door de zichtbaarheid van een veelheid aan symbolen van religieuze of andere overtuigingen;

Tussen deze twee vormen van neutraliteit zijn tal van invullingen (gemengd) van het begrip mogelijk:

  • Het verbod enkel opleggen aan bijvoorbeeld eerstelijnsambtenaren of ambtenaren die gezag en/of macht hebben over het publiek.

Omdat de Belgische wetgever nooit een duidelijk antwoord op deze vraag heeft geformuleerd, botst de neutraliteit van de staat vaak met de autonomie van de administraties. Op het terrein kiest men vaak voor een pragmatische oplossing ten opzichte van de bestaande toestand. Als we het dictum van artikel 9 van het EVRM grondig analyseren, zien we dat de vrijheid van godsdienst enkel bij wet en alleen om duidelijk omschreven redenen mag worden beperkt.

 

Dialoog en overleg:

Gelet op hun huidige autonomie, moeten directies van overheidsadministraties bij het toepassen van het neutraliteitsbeginsel nagaan welk deontologisch kader in hun geval het meest geschikt is en hierover op een open manier met hun ambtenaren in dialoog gaan.

Deze typisch Belgische ingrediënten van dialoog en overleg zijn essentieel en zijn niet strijdig met het principe van een zekere inperking van de vrijheid van godsdienst. Daarom is het in de overheidsbedrijven, net als in privébedrijven, belangrijk om problemen in hun geheel aan te pakken. Uit de praktijk weten we dat achter problemen die als intercultureel worden voorgesteld of die als dusdanig worden ervaren, vaak vrij alledaagse sociale conflicten schuilgaan. Religieuze kwesties scheiden van andere (sociale, generatiegebonden enz.), heeft geen zin. Daarom is het raadzamer om op problemen te anticiperen door duidelijke en aangepaste regels vast te leggen en door te kiezen voor neutrale oplossingen waarbij geen bevolkingsgroepen worden geviseerd. Eventuele regels kunnen best vergezeld gaan van volledige, transparante informatie die ruimte laat voor dialoog. Dit mag echter niet ten koste gaan van de ethiek en het specifieke karakter van de dienstverlening aan het publiek.

eDiv